Henk en Ingrid zijn er klaar voor: de shift naar betrouwbaar en betaalbaar elektrisch gaat razendsnel
Als specifieke maandelijkse uitgaven harder stijgen dan het inkomen, wordt een consument die zijn levensstandaard zo veel mogelijk wil behouden gedwongen tot nadenken en het maken van keuzes. Ik vraag me steeds meer af wat de overwegingen van ‘Henk en Ingrid’ zijn bij de besteding van hun inkomen als het gaat om mobiliteit.
Ik luister goed naar onze klanten. En net als collega-columnist Carlo Hensgens zie ook ik een snelle verandering. Als de geopolitieke situatie niet te veel verandert, staan we aan de vooravond van een marktverschuiving naar betaalbaar elektrisch rijden. En dat gaat sneller dan menigeen verwacht.
Op dit moment laten de verkoopcijfers van gebruikte auto’s zien dat de gemiddelde occasionvraagprijs inmiddels €24.000 is, een stijging van zo’n 45 procent in zes jaar. In deze prijsklasse valt bijna twintig procent van alle verkochte gebruikte auto’s.
Geen verkeerde keuze
Gebruikte stekkerauto’s, zowel hybride als elektrisch, kunnen dit jaar in toenemende mate rekenen op belangstelling van de consument. Dat is begrijpelijk want de brandstofprijzen stegen de afgelopen zes jaar met meer dan 40 procent, terwijl zonnepanelen zo’n 30 procent goedkoper zijn geworden.
Qua onderhoud lijken elektrische auto’s zeker geen verkeerde keuze omdat ze weinig onderhoud nodig lijken te hebben. Dat is gunstig, want de uurtarieven van werkplaatsen stegen met gemiddeld 35 procent. Bij een merkdealer is een tarief onder de €100 inmiddels een utopie; bij de premiummerken is €160 ook geen uitzondering. Wij opereren in de regio ’t Gooi, waar een universeel bedrijf van enig formaat inmiddels ook €90 à €100 per uur rekent.
Elektrisch rijden is daarmee een mooie besparingsmogelijkheid geworden, mede doordat de accu en motor steeds beter te repareren zijn tegen lagere tarieven.
Liever Japans of Koreaans
Aan de onderkant van de markt zien we dat in de prijsklasse van €5.000 tot €10.000 eveneens zo’n 20 procent van het volume wordt verkocht, waarbij de merken die passen bij zekerheidzoekers en risicomijders het goed doen. Over het algemeen komt dit neer op Japanse en Koreaanse merken en vaak wordt een keuze in deze prijsklasse gemaakt in combinatie met een andere vorm van mobiliteit, bijvoorbeeld een nieuwe e-bike, want daarmee kom je ook goedkoop en gezond op je werk.
Aziatische merken waarvan we decennia geleden bij de introductie “iets vonden” scoren dus inmiddels zowel op de gebruikte als de nieuwe markt prima, met Kia en Toyota als schoolvoorbeelden. Als de kwaliteitsproblemen, waarover ik al eerder schreef, in Europa aanhouden, zouden Chinese fabrikanten zomaar kunnen aansluiten in het rijtje Kia, Toyota. Maar dan een stuk sneller. Zeker als je het aanbod van nieuwe auto’s ziet, met prijzen van rond de €20.000 voor een elektrische Chinees met 400 kilometer actieradius.
De consument is echt klaar met (het risico op) dure reparaties.
Als we inzoomen op de kwaliteit van gebruikte auto’s, dan valt ons overigens op dat in de handel steeds meer inruilauto’s van probleemmerken worden aangeboden door dealers van deze Aziatische merken. De consument is echt klaar met (het risico op) dure reparaties en dus zoeken de kopers van probleemauto’s nu hun heil in meer zekerheid.
Mijn afdronk is dat het erop lijkt dat de auto als statussymbool plaats maakt voor betaalbare mobiliteit van goede kwaliteit. Op die manier worden bijvoorbeeld de gestegen kosten van huur en boodschappen enigszins gecompenseerd en houden Henk en Ingrid hopelijk wat geld over voor leuke dingen, zoals een campingvakantie (+20-35 procent ofwel gelijk aan de looncorrectie) of gewoon een biertje in de kroeg (+40 procent).
Lees het volledige artikel: http://bit.ly/4bbbcEh